Petra Jonker is dramatherapeut bij Take Your Time Out (www.takeyourtimeout.nl). Ze vertelt meer over prikkels: deze kunnen bij overprikkeling leiden tot druk gedrag, maar ook het tegengestelde kan gebeuren. Petra: "Bij kinderen die moeite hebben met prikkels, denken we al snel aan de typische stuiterballen of sterk externaliserend gedrag. Wat we bij hen zien is de uiterlijke onrust die gepaard gaat met het overprikkeld en overvraagd zijn. Toch bestaat er een aanzienlijk grote groep hoog- of anderssensitieve kinderen die ook lijden onder prikkels, maar hun onrust en oplopende spanningen weten te internaliseren. Vaak gebeurt dit door een deel van hun voelen te verhullen voor de buitenwereld en in extreme gevallen ook voor zichzelf."

Petra vervolgt: "Het mooie van dramatherapie is dat we heel gericht kunnen spelen met de polariteiten 'zijn' en 'niet-zijn'. Juist binnen het doen-alsof, krijgen cliënten de kans om hun maskers af te doen, los te laten wie ze denken te moeten zijn en hun eigen behoeftes te exploreren."

Petra neemt ons mee aan de hand van een concreet voorbeeld.

"Jesse is 10 als hij kennis met me maakt. Ik zie een stil, teruggetrokken en timide jongetje. Er spelen enkele vermoedens van hoogbegaafdheid en hoogsensitiviteit. Wat vooral opvalt is dat hij niet van zich laat horen, zich terugtrekt en vaak alleen staat op het schoolplein. De hulpvraag die is gesteld bij aanmelding gaat over het ontwikkelen van een stuk weerbaarheid en assertiviteit. Opvallend is hoeveel spanning dit kind meedraagt in zijn lichaam. Hij praat met opgetrokken schouders, houdt zijn ene arm stevig vast met de andere en ik zie hem geregeld knijpen met zijn ogen.

Als ik hem vraag hoe zijn week was, komen er veel woorden naar boven. Hij praat zacht en snel en kijkt me verontwaardigd aan terwijl hij -in chronologische volgorde- verslag doet van al het onrecht dat hij die week heeft ervaren. Jesse blijkt last te hebben van prikkels. En die zijn er veel in groep 7: er wordt geritseld met schriftjes en papiertjes, gekucht, geschoven met stoelen, het digibord geeft licht en er is steeds beweging om Jesse heen. Jesse is zo gevoelig dat hij zelfs de luchtstroom in de klas waarneemt. Het klinkt bijna als een superkracht, maar voor Jesse is het vreselijk. Als een ander kind te vaak zijn neus ophaalt, begint het te borrelen in Jesse. Zo'n geluid komt veel harder bij hem binnen, omdat Jesse's prikkelfilter ze niet categoriseert als 'onbelangrijk'. Jesse registreert dit soort indrukken dus intenser dan gemiddeld. Soms zo intens dat hij er misselijk van wordt. Ondertussen gooit hij stil in gedachten de meest vreselijke verwensingen naar het niet-wetende, neusophalende kind. Jesse internaliseert: hij houdt dat wat hij denkt of voelt voor zich. Dat hij vol zit met frustraties, zal een buitenstaander niet snel zien. Op school zien ze een lieve jongen, die iets te veel zijn best doet. 

Thuis is het niet makkelijk. Jesse heeft een oudere broer die ook geregeld overprikkeld raakt en zijn onrust externaliseert. Hij schreeuwt, slaat, stampt de trap op, bijt letterlijk van zich af. Ook dat zijn prikkels die Jesse stress geven en waarmee hij probeert om te gaan. Als zijn broer in zo'n uitbarsting terecht komt, worden alle zeilen bijgezet om hem rustig en stil te krijgen. Het gezin woont in een flat en wil overlast zoveel mogelijk voorkomen. Daarnaast is er schaamte over hoe deze broer zich gedraagt: hij heeft geen controle over zichzelf. Jesse daarentegen wordt geprezen omdat hij wel beschikt over deze zelfcontrole.

Verbaal is Jesse erg sterk, maar hij komt niet goed tot spel. Om te kunnen spelen is het nodig dat we beschikken over enige spontaniteit. Om dat te kunnen, maken we verbinding met onze (spel)impulsen. Jesse heeft zoveel zelfcontrole ontwikkeld dat het voelen ver te zoeken is: zijn eigen impulsen neemt hij al niet meer waar. Als je zo veel en intensief voelt als Jesse kan het voelen je ook overspoelen. Dat is eng om mee te maken. Bovendien ziet hij zijn broer hierin doorschieten en krijgt Jesse van zijn ouders de boodschap dat het niet de bedoeling is dat hij zo met zijn gevoelens omgaat. Hij lijkt geen andere manier te kennen om zich op een gezonde manier tot zijn emoties te verhouden.

Dramatherapie lijkt voor hem een passend medium. Drama gaat over handelen. Ons handelen vormt ons gedrag. Ons gedrag bepaalt de (sociale) rol die we aannemen. De rol die Jesse heeft aangenomen, van kalme hardwerkende jongen, heeft hem veel bevestiging en geborgenheid opgeleverd. Tegelijk kost het hem stress, sociale uitsluiting, onbegrip en eenzaamheid. Hij lijkt niet goed zichzelf te kunnen zijn en wordt om die reden ook niet goed begrepen. Alle aanpassing van Jesse leidt er bovendien toe dat het niet zo opvalt wanneer hij overprikkeld is. 

Tijdens het praten over zijn week nodig ik hem  uit om me te tonen wat er in zijn hoofd gebeurt. Met grote blokken en een mat bouwt hij zijn hoofd na. Heel secuur zorgt hij dat alles recht staat. Hij legt kleine blokjes in zijn hoofd: dat zijn de dingen waarvan hij last heeft. Daarna stel ik voor niet naar zijn hoofd te kijken van een afstandje, maar erin te kruipen om te kunnen ervaren wat daar gebeurt. Hij gaat zitten en maakt zich klein, met opgetrokken knieën die hij stevig omklemt. Ik vraag hem hoe het daar is.Waar hij normaal veel taal gebruikt, nodigt hij me nu alleen met een armgebaar uit om erbij te komen zitten. Hij lijkt al meer contact te krijgen met zijn lichaam en gevoel. Als ik naast hem zit, spiegel ik zijn houding. Ik verwoord wat ik (mee)voel bij hem: "Ik merk dat ik me een beetje schrap zet.". Hij knikt. "Alsof er iets aan zit te komen...". Een klein knikje volgt. Met zijn hand reikt hij naar een blok dat bovenin zijn ‘hoofd’ zit. Hij personificeert iets, merk ik. Het blok krijgt betekenis. Ik zie hem er in knijpen met zijn nagels en hoor hem een geluidje maken dat lijkt op een grom. "Word je daar boos van?", vraag ik. Hij knikt en laat het blok op de grond vallen. “Waar ben je boos over?”, vraag ik, mijn blik gericht op het blok. Hij pakt het weer vast. Er komen veel woorden in hem op. Geen woorden over wat anderen verkeerd doen dit keer. Ze gaan over hem. "Ik moet altijd meer mijn best doen dan de rest.", zegt hij. “Wat verdrietig.”, erken ik. We laten de stilte die daarna volgt even bestaan. Dan komen er nog meer woorden. "De juf denkt dat ik dom ben." "Mijn ouders houden meer van mijn broer dan van mij." "Ik mag nooit eens iets kapot maken." "Niemand wil met mij spelen." "Ze pesten me. Ik ben niet normaal." "Iedereen krijgt altijd zijn zin en ze vergeten mij."

Gedachtes zijn ook prikkels, die intern in ons bewegen en geregeld zwaar op ons kunnen drukken. Jesse's wangen zijn rood geworden en hij klemt zijn armen weer stevig om zijn benen, alsof hij zichzelf in bedwang houdt. Hij heeft iets heel echt’ van zichzelf laten horen dat goed verstopt zat. Nu neemt de controle het weer over. Misschien overspoelde zijn gevoel hem wel een beetje. Ik bied geborgenheid en erken hem. Het is belangrijk dat hij merkt dat de dingen die hij geuit heeft, van mij mogen bestaan. Ik merk dat hij heel lichtjes tegen me aan is gaan leunen en sla een arm om hem heen. “Hoe is dit?” Hij legt zijn hoofd op mijn schouder. Zo zitten we even samen. Door te delen wat er in hem bewoog, heeft hij een stap uit zijn gevoel van isolement gezet. 

Na een tijdje doorbreek ik de stilte en vraag hem wat hij met zijn gedachtes zou willen doen. Hij haalt zijn schouders op, maar ondertussen geeft zijn lichaam antwoord. Ik zie zijn voet even naar voren bewegen, vlak tegen de voorste blokken. Ik vraag hem of hij zou willen schoppen. Hij kijkt strak voor zich uit en herhaalt zwak de beweging. Ik spiegel hem en doe hetzelfde met mijn voet. Maar dan iets harder. Er ontstaat een kort en spontaan (!) spel waarbij we om de beurt spelen met de insinuatie van de muur omver schoppen. In deze kleine beweegimprovisatie remmen we op het laatste moment af en raken de muur net niet. Op een ander niveau spelen we met controle versus loslaten. De grens van bewegen naar remmen rekt verder op en onze voeten schieten steeds een stukje verder uit naar de muur. Dan remt Jesse een keer te laat en ziet zijn voet tegen de muur gaan. Hij trekt zijn voet direct terug. Meteen daarna schopt hij nog een keer, expres en doelgericht tegen de muur zodat het onderste blok een beetje verschuift. Nog een schop en de bovenste twee blokken vallen van zijn muur af. “Zo”, zegt hij daarna. “Zo.”, zeg ik daarna. 

Ik kan natuurlijk niet invullen wat het voor hem betekent om deze muur omver te halen. Misschien maakt hij nu ruimte in zijn symbolische hoofd. Of misschien wil hij gewoon ergens tegenaan schoppen. Ik zie in elk geval dat hij regie neemt en loskomt uit zijn normale patroon van ondergaan. Hij kijkt even boven zijn 'hoofd' uit naar de deur alsof we betrapt kunnen worden op kattenkwaad. Dan staat hij op en trekt met zijn armen dapper de andere muur omver. Een beetje struikelend -want motorisch is hij niet zo sterk- haalt hij zijn hele bouwwerk omver. Er zit venijn in zijn bewegingen en hij perst zijn lippen op elkaar. Als hij klaar is ploft hij neer op de mat. Hij ademt snel, maar zijn lijf is meer ontspannen. “Hoe is dit?”, vraag ik weer. “Beter.”, zegt hij en zucht uit. De spanning is eraf, hij heeft iets kunnen ontladen. Ik noem hem dapper en haal als een actie-analist stukjes terug waarin ik verrast werd door zijn kracht. Jesse neemt eigenlijk maar moeizaam complimentjes aan, maar ik zie een klein lachje om zijn mond. Zijn armen ontspannen, zijn handen losjes in zijn schoot. Hij heeft een stap gezet. 

Een paar sessies later komt Jesse de ruimte binnen met opnieuw veel spanning in zijn lijf. Zonder al te veel contact te maken, begint hij aan een opsomming van kleine incidenten die hem overvraagd hebben. Ik merk dat hij naar een punt in de verte tuurt en me minder aankijkt dan normaal. Ik volg zijn blik door de ruimte, maar zie niks dat mijn aandacht trekt. Ik blijf toch dezelfde kant opkijken en vraag ten slotte: "Waar kijken we naar?". Hij vertelt dat hij een stip ziet. Vanuit mijn ooghoeken zie ik hem de ruimte scannen. Hij lijkt bang. Ik zie de stip niet, maar laat dat niet merken. In plaats daarvan vraag ik hem wat de stip betekent. “Als de stip er is, dan is de hond in de buurt.”, zegt hij gespannen. Ik weet van stip noch hond, maar begrijp dat er in zijn realiteit veel gebeurt op dit moment. Dramatherapie gaat over de werkelijkheid van je cliënt. Die is vaak anders dan de feitelijke werkelijkheid. Ik probeer te ontdekken wat er speelt in zijn wereld. “Kan ik iets doen?”, vraag ik. Hij schudt zijn hoofd en kijkt nog eens door de ruimte. Op dit moment heb ik in de gaten dat er iets lijkt te gebeuren in zijn informatieverwerking. Het kan wel eens voorkomen dat interne prikkels (zoals gedachtes) door ons brein gecategoriseerd worden als externe binnenkomende informatie. Zo kan het lijken alsof een geluid (een stem) of beeld (zoals deze hond) van buitenaf komt, in plaats van vanuit onze gedachtes, angsten of fantasie. In Jesse’s waarneming, loopt er dus echt een wilde hond door de ruimte.

Ik stel Jesse vragen over de hond die de functie lijkt te hebben van waakhond. Als Jesse overprikkeld raakt of zich overspoeld voelt, is de stip een eerste waarschuwing. Daarna volgt de hond om Jesse te straffen. Jesse is bang voor de hond. Ik kan aan hem zien dat hij alert is. Bij momenten schrikt hij en schieten zijn ogen naar een deel van de ruimte. Het heeft geen zin om hem te vertellen dat het niet waar is wat hij ziet. Hij krijgt deze informatie binnen en is er bang voor. Het ontkennen van zijn realiteit is alleen maar beangstigend en bevestigt bovendien zijn eenzaamheid en het gevoel alleen te staan. Zijn waarneming is op dit moment waar voor hem. Wat ik wel voor hem kan doen, is zijn perspectief op deze waarneming veranderen. Zo hoop ik hem een beetje grip te geven op wat er gebeurt. Ik beweeg mee in zijn realiteit en opper dat ik ontzettend goed ben met honden. Ik leer hem een zacht sistoontje dat mensen niet horen, maar honden wel. Het houdt honden op afstand. Ik geef hem met het leren van dit toontje een beetje regie: hij kan de hond nu bezweren. Ook thuis of in de klas, zonder dat anderen het merken. 

Tussendoor bespreek ik met de psychiater die verbonden is aan dit gezin, welke insteek ik genomen heb. Ik kan zijn waarneming niet veranderen, maar Jesse wel helpen er een andere, meer steunende betekenis aan te geven. Ook onderzoeken we hoe de stip en hond gerelateerd zijn aan stress. Jesse heeft deze waarneming wanneer hij overprikkeld en overvraagd is. We bekijken hoe we zijn stress kunnen verminderen. We maken een plan waarbij ook het systeem (Jesse's gezin) zal worden meegenomen, zodat de druk thuis minder hoog oploopt. 

Een sessie daarna komt Jesse zelf terug op het trainen van honden. Ik vraag hem of hij dit zou willen en hij gaat akkoord. We bouwen eerst in de ruimte een bench voor de hond, om de hond in de doen als we hem vinden. De bench gaat over het 'vangen' van zijn waarneming en er controle over hebben. Daarna doen we een geleide fantasie op een zachte mat. Ik begin met een body scan zodat Jesse de spanningen in zijn lichaam kan loslaten. Van daaruit visualiseer ik met hem een fijne, veilige plek, vanwaar hij de hond tegemoet kan treden. We fantaseren een bubbel om ons heen, zodat we niet toch nog onverhoopt gebeten kunnen worden. Al snel neemt Jesse de hond weer waar. Ik vraag hem om de hond in gedachten te zeggen dat hij in de bench mag gaan zitten. Met gesloten ogen focussen we op de hond en het gevoel dat de hond oproept. We onderzoeken wat voor soort hond het is. Jesse zag tot dan toe alleen maar flitsen hond voorbij schieten, maar het uiterlijk van de hond definiëren geeft hem grip. In de bench kunnen we hem goed zien, zonder dat hij Jesse iets kan doen. “Het is best een zachte hond.”, merkt hij uit zichzelf op. Ik vraag hem of hij de hond zou durven aaien. Dat is nog een brug te ver. Ook vraag ik Jesse aan de hond te vragen of hij een naam heeft. Dat blijkt niet zo te zijn. Jesse ontdekt tot zijn verassing dat de hond kan praten en dat alleen Jesse hem kan verstaan. Ik bevestig dat ze een speciale band hebben. Hij mag een naam verzinnen voor de hond, die nu vertedering oproept in plaats van angst. Aan het einde van de sessie is Jesse's spanning enorm gezakt: hij beweegt soepeler en heeft een lage buikademhaling. Hij gaat enthousiast weg met het voornemen een lijstje te maken met namen voor de hond. 

We werken de daaropvolgende sessies deels aan zijn assertiviteit en weerbaarheid: uitkomen voor wat je voelt en opkomen voor wat je nodig hebt. Daarnaast besteden we een deel van de sessie aan het trainen van de hond. Enkele sessies later durft Jesse de hond te aaien en projecteert hij dat de hond is achtergelaten door zijn familie. Het blijkt een eenzame hond te zijn, waarbij ik best wel wat analogie zie in de eenzaamheid die Jesse voelt, in al zijn opgekropte spanningen en het zich niet begrepen voelen. De hond krijgt steeds meer de functie van hulphond. Jesse staat me toe te suggereren dat als hij de stip ziet, dat een teken kan zijn dat hij even overprikkeld of overvraagd is. De hond komt dan bij hem zitten, zodat hij niet alleen is. En herinnert hem eraan dat hij van zichzelf af mag bijten, voor zichzelf op mag komen, bijvoorbeeld door een time-out te vragen of aan te geven dat het even teveel is. De hond is nu het signaal geworden dat Jesse mag voelen wat hij nodig heeft en geeft hem ruimte zijn keuzemogelijkheden te overzien.

Via rollenspel vogelen we ook uit hoe hij zich kan uiten. We spelen situaties uit de klas of op het plein na en maken steeds variaties. Jesse durft nu te experimenteren en bouwt een nieuw gedragspatroon op. Aanvankelijk benaderde hij situaties vanuit zijn denken, maar gedurende zijn proces maakt hij steeds meer verbinding met zijn spontaniteit en komt tot mooie afgestemde oplossingen voor problemen. Hij leert gedrag binnen ons spel steeds beter integreren en ook van de juf hoor ik soms leuke anekdotes voorbij komen waarbij Jesse iets nieuws uitprobeerde.

In samenwerking met de externe psychiater en gezinsondersteuner komt ook de rust in het gezin terug. De psychiater spreekt uit dat dramatherapie een meerwaarde aan informatie oplevert, helemaal bij dit soort kinderen. Dramatherapie wordt aan den lijve ondervonden, waardoor we een ander deel van het brein aanspreken. Het kind wordt in het hier-en-nu uitgedaagd om zichzelf te ervaren, te exploreren en te experimenteren met gedrag."

Petra benadrukt: "Juist voor de groep internaliserend prikkelgevoelige cliënten is het van belang dat ze passende hulp kunnen krijgen. Dat wil zeggen: een vaktherapeut die hen kan ontmoeten in hun belevingswereld en hen van daaruit kan uitnodigen en aanmoedigen stappen te zetten in de buitenwereld. Bij kinderen en jeugdigen kunnen dit soort vroegtijdige interventies grotere problemen, zoals angsklachten, overbelasting en depressie, op latere leeftijd voorkomen."

Tot slot:
Voor dit praktijkvoorbeeld is gebruik gemaakt van een fictieve naam. Ten behoeve van de privacy van deze cliënt zijn enkele details veranderd.